vrijdag 12 juli 2019

Checklist

Wekelijkse blog over slotcarracen. Deels uit het leven gegrepen, deels uit ervaring. Mogelijk die van de auteur, anders die van een mede-beoefenaar. Met deze blog beoogt de auteur een onderlinge band te smeden. Voor ruzies of zelfs een klap op de muil is hij niet verantwoordelijk. Opzettelijk beledigen of kleineren is geen vooropgezet doel, maar kan onbedoeld voorkomen. BVS.


Mijn tandarts van weleer (laten we hem Ronald noemen) had tussen de wachtkamer en de boorkamer een zeeaquarium gebouwd. De naar adem happende vissen moesten vermoedelijk de wachtende patiënt tot rust brengen. Het werd een dubbel fiasco, want de vissen hapten echt naar adem voordat zij peigerden en de patiënt deed dat ook vanwege de gillende geluiden op de achtergrond. Omdat Ronald erg begaan was met zijn vissen vroeg ik altijd: ‘Hoe gaat het met het aquarium?’ als ik binnenstapte en dus net daarvoor gezien had dat er weer twee duikboten tussen de schelpen lagen. Zo vertelde hij mij eens dat er een schip onderweg was van de Noordelijke Poolzee dat tachtigduizend liter kristalhelder ijswater onder de Noordpool had weggezogen om zijn aquarium van een frisse inhoud te voorzien. ‘Toe maar!’, dacht ik.

Zijn assistente, die later zijn vrouw werd, giebelde dat hij avond na avond met zelfbedachte en zelfgemaakte filters in de weer was om die schubbenbeesten in leven te houden, waarna zij hem natuurlijk weer op passende wijze moest troosten als dat faliekant mislukte. Dergelijke projecten vereisen testosteron. Of om vol te houden tegen beter weten in, of om ze definitief af te ronden. Zoals mijn vader deed. Enige tijd na Wereldoorlog II besloten mijn ouders een romantisch fietstochtje te gaan maken en omdat zij vermoedden dat het wel eens laat kon worden, controleerde mijn vader vooraf de carbidlampen. Die van mijn moeder wilde niet branden, zodat hij ten langen leste sprak: ‘Joke, haal eens een hamer!’ waarmee het hele ding aan barrels sloeg.  ‘Zo, nu weet ik waarom hij het niet doet!’

Als ik bij nacht en ontij aan mijn BRM slotcar zit te sleutelen, moet ik zowel aan het ijskoude water van de Noordelijke Poolzee denken (Hoe wanhopig moet je zijn?) als aan de hamer van mijn vader alsmede aan de twee giebelende dames. De BRM zelf stinkt als een carbidlamp en zinkt als een maanvis. Wat een hopeloos vehikel! Toch blijft altijd dat sprankje hoop dat hij het op een dag zal gaan doen. Mits je begrijpt waar de fout zit. Met mijn vader (Haal de hamer, was in ons gezin een gevleugelde kreet!) heb ik nog vaak gesproken over die vermaledijde rot lamp en wij kwamen tot de conclusie dat het niet anders kon of opa had onder in de lamp een klein gaatje geboord om het overtollige water weg te laten lopen. Tegen het roesten! Dat daarmee ook het gas wegstroomde had hij vermoedelijk niet voorzien.

Voor de dramatische vissterfte van Ronald moest natuurlijk ook zo’n eenvoudige oplossing bestaan en hij heeft ‘m ooit gevonden, want toen ik hem later terugvond in een TV-programma (*inneste*uiten) waarin een of andere snol je hele huis opnieuw gaat inrichten, zag ik datzelfde aquarium in de woonkamer staan en het was duidelijk te zien dat de meeste vissen in de bak bleven drijven. Zo ontdekte ik eigenlijk bij toeval dat het hele marketingverhaal van BRM ten spijt, het geniaal geachte chassis zo krom was als een hoepel, om nog maar te zwijgen van de nog veel genialere motormount waarvoor je geen timmermansoog hoeft te hebben om te zien dat het compleet rond staat, zodat die twee onderdelen eigenlijk slechts op drie plaatsen met elkaar in verbinding staan.

Ooit zag ik Fokko Zoutman zich uitleven op een Scheelauto-chassis dat bijna compleet in zijn handpalmen verdween waarna hij wat vreemde grimassen trok en de auto als herboren tevoorschijn kwam. Ik ben daar gewoon niet sterk genoeg voor. Het vraagt namelijk nogal wat kracht om zo’n stalen chassis op het gevoel recht te buigen, maar Fokko kan dat. En zeker als hij een tikje geagiteerd is. Hoe dan ook, het blijkt dat die slotcars allemaal dezelfde kwaal hebben. Ze zijn krom, ze sporen niet, ze zijn niet uitgelijnd, de vering deugt niet en de kap zit stelselmatig muurvast geschroefd om de hele meuk in het leuke verkoopdoosje bij elkaar te houden. Kortom, een ramp op wielen.

Nu heb ik wel een tip om tot een iets beter rijdend geheel te komen. Eigenlijk stom dat ik dat niet eerder heb bedacht want ik heb er jaren mee lopen leuren: de checklist. Ik geef toe dat ik indertijd toen ik voor de bouwnijverheid tiepelde, vooral dacht dat checklisten uitgevonden waren voor hele domme mensen. Dat is niet zo. Ze zijn vooral heel erg handig en het getuigt van intelligentie als je een nieuw aangekochte slotcar aan de hand van een checklist herstelt. Let maar eens op, overal worden checklisten gebruikt. 

Behalve door tandartsen, artsen en slotcarracers dus.    

zaterdag 6 juli 2019

Igor


Wekelijkse blog over slotcarracen. Deels uit het leven gegrepen, deels uit ervaring. Mogelijk die van de auteur, anders die van een mede-beoefenaar. Met deze blog beoogt de auteur een onderlinge band te smeden. Voor ruzies of zelfs een klap op de muil is hij niet verantwoordelijk. Opzettelijk beledigen of kleineren is geen vooropgezet doel, maar kan onbedoeld voorkomen. BVS.

Er is, ergens in het verre Friesland, een slotraceclub die luistert naar de naam ‘Met Nocht Deur De Bocht’. Binnen het kader verzin eens een waanzinnige naam heeft deze club én de hoofdprijs én het eeuwige erelidmaatschap gewonnen. Een normale Nederlander begrijpt geen snars van die naam, maar ik geloof dat je ‘nocht’ mag vertalen met ‘genoegen’. Hoe verzin je het? Op mij komt het over alsof je ’s avonds bij ter bedde gaan tegen je vrouw zegt: ‘Zullen wij nog eens de meest aardse beweging ter wereld gaan maken?’.

Slotcarracers zijn namelijk eigenlijk altijd stiekem een beetje bang voor de bocht. Je remt te laat, je gaat weer te vroeg op het gas, de auto gaat driften, een schuimbandje loopt van de velg en einde verhaal. Autootje zieltogend op zijn dakje in de berm tegen de boarding. Gelukkig maar, want er zijn ook vehikels die indruk proberen te maken met een salto om vervolgens op de grond te belanden. Waarna de eigenaar de zakdoek mag pakken om alle onderdelen en wat snot te verzamelen.

Hoe dan ook, daarmee is het woord ‘Nocht’ wel verklaard, kennelijk Friese humor. Ik moest hieraan denken toen ik op Facebook een verslag las van de nijvere Igor die zijn kapje tot flinterdun uitdremelde en ik geloof zelfs dat zijn reportage vergezeld ging van de nodige getallen zoals startgewicht, verzameld slijpsel en eindgewicht na gedremel. Indrukwekkend! Hij had daar echt veel bereikt, hoewel ik wel meteen een beetje nieuwsgierig was naar de eerste proefrit, want een kind kan begrijpen dat een crash in de bocht dan erg weinig Nocht meer oplevert.

Evenwel spoorde de altijd opgewekte Igor mij aan om hetzelfde te doen. En wel met een auto die daar echt om vroeg. De naam is Carrera. Niet te tillen zo zwaar! Maar wel prachtig gebouwd met oog voor detail en goedsloerend sterk. Als ik die Carrera als een bulldozer (die gaan ook niet echt hard) door de bocht schoof, dan gingen mijn kompanen prompt van het gas af en sommigen zochten zelfs de vluchtstrook op om aan mijn gevaarte te ontsnappen. Een klap van die Carrera tegen een achterspatbord betekende veelal voor die goedkope prutsautootjes van mijn vrinden het eeuwige einde.

Daar stond wel tegenover dat een uitvlieger mij ook altijd schade opleverde, want gemakkelijk voorstelbaar is wat een iedereen heeft wel eens gezien wat er gebeurt als een bola-slingeraar op de pampa in Argentinië zijn kogel de vrijheid gunt. De uitbreeksnelheid ligt in de buurt van 450 km per uur. Zo ook de Carrera, nota bene een Aston Martin in Gulf-uitdossing met het bekende 007-opdrukje. Na enige maanden van plezier derhalve veel sporen van secondelijm her en der; het fraaie was er wel af. Geert Grote had desondanks belangstelling en ik stond wel open voor de verkoop van het wrak. Maar hoewel de verleiding voor hem groot was (“Wat een mooie wagen!”) ging de verkoop niet door omdat hij vreesde de rest van de winter bezig te zijn met de restauratie van de mobiel.

OK, dan niet!, dacht ik. En per meteen besloot ik tot de Igor-aanpak. Thuisgekomen peuterde ik met een piepermesje de auto helemaal uit elkaar waarbij maar weer eens bleek dat ook secondelijm zijn beperkingen heeft. Alle randjes mooi schoon geschrapt en opgeschuurd en na een week of zes had ik de Carrera weer piekfijn voor elkaar. Wel ruzie met de vrouw over wat klusjes die hierdoor waren blijven liggen, maar na wat aardse bewegingen waren ook die donderwolken verdwenen. Enfin, zoals dat kan gaan. Het dremelen zelf vergde drie avonden een huilende tandartsboor en het resultaat was verbluffend. De auto was licht doorschijnend en alle versterkingen die de Duitse firma aan had gebracht waren tot poeder verworden.

Nadat ik de bevestiging tussen Scaleautochassis en de kap weer uiterst zorgvuldig tot stand had gebracht, stond er warempel een verdomd gelikt karretje klaar om die stomme naam van die Friese zolen nog eens op zijn merites te testen. Gisteravond reden wij eerst een NSU-BRM race. Ik bakte er niet veel van, maar dat kwam omdat ik niet met mijn eigen auto reed. Clubauto’s kunnen mij niet zo bekoren, want de band ontbreekt. 

Nee, dan liever Louis, die een standaard Scaleautochassis met behulp van een carbonplaatje en wat veertjes omtoverde tot een wonder op wielen. Die snelheid haalde ik niet met mijn Carrera, maar vergeleken met vroeger floot ik over de baan. Mooiste moment kon dus niet uitblijven. Want Geert zei vanachter zijn glaasje prik: “Hé, wat een snelle auto!” Waarop ik met nog meer nocht door de bocht (MNDDB) ging.

Vakantietip: Slotraceclub MNDDB in Sint Annaparochie, schuin boven Leeuwarden. Minsken prate Nederlânsk (ze doen hun best verstaanbaar te zijn)